De Grote Afdrift

Sun, Feb 1, 2026

Read in 8 minutes

Van de SFIO tot de PS, van Lincolns partij tot Trumps GOP, van de New Deal tot de Third Way: hoe politieke partijen naar rechts afdrijven en hun elites convergeren.

Transparantienota

Deze column is het resultaat van een samenwerking tussen een mens (Pépé) en een kunstmatige intelligentie (Claude, Anthropic). De leidende ideeën, de redactionele lijn en de eindgoedkeuring zijn menselijk. Het documentatieonderzoek en de redactie worden ondersteund door AI.

Omdat AI onnauwkeurigheden kan produceren, is elke feitelijke bewering bronvermeld op basis van controleerbare academische, encyclopedische of journalistieke documenten. De bronnen staan aan het einde van het artikel.

Deze tekst vertegenwoordigt uitsluitend de standpunten van de menselijke redacteur, die er de volledige verantwoordelijkheid voor draagt.


Deze week opende ik twee geschiedenisboeken naast elkaar. Het ene over Frankrijk, het andere over de Verenigde Staten. En ik zag dezelfde film, met verschillende acteurs maar een identiek scenario: partijen die links werden geboren en rechts eindigen, partijen die al rechts waren en nog verder naar rechts afdrijven, en elites uit beide kampen die uiteindelijk verbazingwekkend op elkaar gaan lijken.

Dit is geen toeval. Het is een structureel patroon. En het verdient om uitgegraven te worden.


Het verhaal begint in 1905. De SFIO (Franse Afdeling van de Arbeidersinternationale) ontstaat uit de eenmaking van de Franse socialistische families, onder impuls van Jean Jaurès. Het programma is marxistisch: afschaffing van het kapitalisme, collectief eigendom van de productiemiddelen, internationalisme1.

Snel vooruit. In 1981 wordt François Mitterrand verkozen op een programma van breuk: nationalisaties, pensioen op 60, een vijfde week betaald verlof. Twee jaar later markeert de tournant de la rigueur (soberheidsommekeer) van 1983 het verlaten van het economisch voluntarisme ten gunste van begrotingsdiscipline en Europese integratie1. Links aan de macht kiest monetaire stabiliteit boven stimuleringsbeleid.

Onder Lionel Jospin (1997–2002) privatiseert de regering van “pluralistisch links” meer dan de rechtse regeringen die haar voorafgingen: France Télécom, Thomson, Eramet, de snelwegen. Dan komt François Hollande (2012–2017): het CICE — een belastingkrediet van 40 miljard euro voor bedrijven — en de Arbeidswet, gedragen door een socialistische regering tegen haar eigen kiezers2.

Het woord “socialistisch” bleef op de affiche staan. De inhoud veranderde volledig van aard.

Aan de andere kant hield het sociaal gaullisme evenmin stand. De Gaulle was een planner: werknemersparticipatie, ruimtelijke ordening, nationale onafhankelijkheid. Chaban-Delmas stelde in 1969 een “Nieuwe Maatschappij” voor die leek op onverbloemde sociaaldemocratie3. Maar vanaf 1986 omarmde Jacques Chirac het neoliberalisme (privatiseringen, deregulering), en Nicolas Sarkozy voltooide de transformatie door economisch liberalisme te combineren met identitaire politiek4.

Ondertussen stortte de Franse Communistische Partij in — 28% van de stemmen in 1946, meer dan 800.000 leden. De verweesde arbeidersstem migreerde naar het Front National5. Dit is wat Badinter, en vervolgens Tévanian en Tissot, de “lepenisering van de geesten” noemden: de thema’s van het FN (immigratie, veiligheid, nationale identiteit) besmetten het discours van de gehele politieke klasse, links en rechts samen6.


Verenigde Staten: de partij van Lincoln stemt Trump

De Republikeinse Partij wordt in 1854 opgericht met één enkel wachtwoord: verzet tegen de uitbreiding van de slavernij. Abraham Lincoln, de eerste Republikeinse president, voert de Burgeroorlog om de Unie te behouden en de slavernij af te schaffen. Teddy Roosevelt (1901–1909) breekt de trusts en creëert nationale parken. Dwight Eisenhower (1953–1961) past een marginaal belastingtarief van 91% toe op de hoogste inkomens en lanceert het nationale snelwegennet. Richard Nixon richt de EPA op (Environmental Protection Agency)7.

Dan komt de Southern Strategy. Kevin Phillips, strateeg van Nixon, theoretiseert in 1969 dat de Republikeinen het Diepe Zuiden kunnen veroveren door de raciale wrok te benutten van blanke kiezers die teleurgesteld zijn door de burgerrechtenwetgeving4. De berekening werkt. Ronald Reagan (1981–1989) transformeert de partij: massale belastingverlagingen voor de rijken, deregulering, een cultuuroorlog tegen “Big Government”8. De Tea Party radicaliseert de beweging verder in de jaren 2010. Donald Trump is de logische uitkomst.

De partij die de slaven bevrijdde, werd de partij die weigert het bestaan van systemisch racisme te erkennen.

Aan Democratische zijde is het pad een spiegelbeeld. De partij van de negentiende-eeuwse slavenhouders vindt zichzelf opnieuw uit onder Franklin Roosevelt met de New Deal (1933–1938): sociale zekerheid, openbare werken, financiële regulering. Lyndon Johnson ondertekent de Burgerrechtenwetten in 1964–1965, en vertrouwt naar verluidt een medewerker toe: “We hebben zojuist het Zuiden aan de Republikeinse Partij overgeleverd voor een generatie”9.

Dan komt Bill Clinton (1993–2001) en de “triangulatie”: de Third Way. Clinton hervormt de bijstand (welfare reform), ondertekent NAFTA, schaft de Glass-Steagall Act af (die sinds 1933 commerciële en investeringsbanken scheidde) en dereguleert de derivatenmarkten1011. De partij van de New Deal wordt de partij van Wall Street.

En het Overtonvenster verschuift. Eisenhowers standpunten — hoge belastingtarieven, massale publieke investeringen, wantrouwen jegens het militair-industrieel complex — zouden vandaag in het Amerikaanse debat als “extreem-links” worden bestempeld12.


De horizontale elites

Hier is het fenomeen dat politicologen al jaren documenteren: de leiders van linkse en rechtse partijen convergeren sociologisch, ondanks hun tegengestelde retoriek.

Thomas Piketty, Amory Gethin en Clara Martínez-Toledano hebben aangetoond dat westerse democratieën nu worden bestuurd door een “dubbel elite”-systeem: de “Brahmaanse linkerzijde” (hoogopgeleid, stedelijk, cultureel progressief) en de “Handelsrechterzijde” (vermogend, economisch liberaal)7. De arbeidersklassen worden door geen van beide kampen vertegenwoordigd.

Robert Michels voorspelde dit al in 1911 met zijn “ijzeren wet van de oligarchie”: elke democratische organisatie, ongeacht haar startideologie, neigt onvermijdelijk naar machtsconcentratie in handen van een heersende minderheid9.

Peter Mair gaat in Ruling the Void (2013) verder: partijen zijn niet langer transmissieriemen tussen samenleving en staat, maar quasi-statelijke instanties die de macht voor zichzelf beheren. De “leegte” tussen burgers en leiders wordt steeds groter10.

Chantal Mouffe maakt het beeld compleet: door het links-rechtsconflict te onderdrukken in naam van “consensus” en “goed bestuur”, laten politieke elites de tegenstellingen niet verdwijnen — ze verdringen ze. En die verdringing voedt het populisme11.


Het patroon herhaalt zich

In Aflevering 01 identificeerde ik vijf stadia in het leven van politieke bewegingen:

  1. Geboorte in urgentie — een schrijnend onrecht, idealistische oprichters.
  2. Verovering van de macht — de beweging organiseert zich en wint.
  3. Institutionalisering — vaste medewerkers, kantoren, compromissen.
  4. Beheer vervangt visie — verworvenheden verdedigen in plaats van nieuw terrein veroveren.
  5. De woorden blijven, de betekenis verdampt — etiketten blijven op flessen waarvan de inhoud is veranderd.

De aflevering van vandaag onthult twee bijkomende stadia:

  1. Convergentie van elites — de leiders van tegengestelde kampen eindigen met het delen van dezelfde klassenbelangen, dezelfde netwerken, dezelfde levensstijl. Politiek conflict wordt een schouwspel dat klassensolidariteit aan de top maskeert1314.

  2. Het vacuümeffect — het volk, verlaten door zijn natuurlijke vertegenwoordigers, wendt zich tot populismen die beloven “het woord terug te geven aan het volk.” De cirkel is rond: een nieuwe beweging ontstaat uit werkelijk lijden, en de cyclus begint opnieuw15.


Dit is geen aanklacht

Sommige van deze veranderingen zijn legitieme aanpassingen. De wereld van Jaurès is niet die van 2026. Regeren vereist compromissen. De sociaaldemocratie heeft miljoenen mensen uit de armoede getild voordat ze op adem raakte.

Maar de feitelijke vaststelling blijft: de woorden “progressief”, “vrijheid”, “sociale rechtvaardigheid” betekenen niet meer wat ze ooit betekenden. En wanneer politieke taal haar verankering in de werkelijkheid verliest, erodeert de democratie zelf12.

Colin Crouch noemt dit “postdemocratie”: een systeem waarin democratische instellingen nog formeel functioneren, maar echte beslissingen elders worden genomen — in bestuurskamers, lobbykantoren en diners onder elites12.


De vraag die ik u nalaat

Is deze afdrift omkeerbaar? Kunnen we de woorden opnieuw vullen met hun oorspronkelijke betekenis, of moeten we nieuwe uitvinden?

Aflevering 01 stelde de vraag voor België. Deze breidt ze uit naar Frankrijk en de Verenigde Staten. Het patroon bevestigt zich: het overschrijdt grenzen.

Schrijf me. De tuin is groot, en de wortels reiken verder dan we denken.


Pépé


Bronnen


  1. Jonah Levy, “The Neoliberal Turn that Never Was,” in Diminishing Returns: The New Politics of Growth and Stagnation, Oxford University Press, 2017; Gilles Morin, “De la SFIO au nouveau Parti socialiste,” Vingtième Siècle, 2003. ↩︎ ↩︎

  2. Patrick Music & Henri Sterdyniak, “CICE: un bilan économique,” OFCE, 2018; Laurent Mauduit, L’Étrange Capitulation, Les Liens qui Libèrent, 2016. ↩︎

  3. Boris Manenti & Pascal Perrin, “Histoire du gaullisme social,” Cairn.info, 2021; Jérôme Pozzi, Les Mouvements gaullistes, Presses universitaires de Rennes, 2011. ↩︎

  4. Kevin Phillips, The Emerging Republican Majority, Arlington House, 1969; Gaël Brustier, Voyage au bout de la droite, Mille et une nuits, 2011. ↩︎ ↩︎

  5. Florent Gougou, “Les mutations du vote ouvrier sous la Ve République,” Fondation Jean-Jaurès, 2015; “Comprendre le vote FN,” Slate.fr, 2017. ↩︎

  6. Sylvain Crépon, Alexandre Dézé & Nonna Mayer (red.), Les Faux-semblants du Front national, Presses de Sciences Po, 2015; Pierre-André Taguieff, “La rhétorique du national-populisme,” Mots, 1984. ↩︎

  7. Amory Gethin, Clara Martínez-Toledano & Thomas Piketty, “Brahmin Left versus Merchant Right: Changing Political Cleavages in 21 Western Democracies, 1948–2020,” Quarterly Journal of Economics, 137(1), 2022. ↩︎ ↩︎

  8. Jacob Hacker & Paul Pierson, Winner-Take-All Politics: How Washington Made the Rich Richer, Simon & Schuster, 2010. ↩︎

  9. Robert Michels, Political Parties: A Sociological Study of the Oligarchical Tendencies of Modern Democracy, vertaald door Eden & Cedar Paul, Hearst’s International Library, 1915 (Duits origineel 1911). ↩︎ ↩︎

  10. Peter Mair, Ruling the Void: The Hollowing of Western Democracy, Verso, 2013. ↩︎ ↩︎

  11. Chantal Mouffe, On the Political, Routledge, 2005. ↩︎ ↩︎

  12. Colin Crouch, Post-Democracy, Polity Press, 2004; Larry Bartels, Unequal Democracy: The Political Economy of the New Gilded Age, Princeton University Press, 2008. ↩︎ ↩︎ ↩︎

  13. Thomas Frank, What’s the Matter with Kansas? How Conservatives Won the Heart of America, Metropolitan Books, 2004. ↩︎

  14. Martin Gilens & Benjamin I. Page, “Testing Theories of American Politics: Elites, Interest Groups, and Average Citizens,” Perspectives on Politics, 12(3), 2014. ↩︎

  15. Martin Gilens, Affluence and Influence: Economic Inequality and Political Power in America, Princeton University Press, 2012. ↩︎